| Een lied neemt me mee naar een plek in de heuvels. |
| Mij alleen n zomergloed om me heen. |
| Langzaam valt alles samen. |
| Een stem opent de hemel, een blauw geheel. |
| Een zin dringt door, de vogels zijn even stil. |
| Nu weet je wat ze met die wijze raad bedoelde, nu jij het aan den lijve |
| ondervindt. |
| Al die dingen komen binnen, de gezegden uitgelegt. |
| Klinken liedjes je herkenbaar in de oren, luister je nu anders dan voorheen. |
| Alle woorden komen door en alles wordt even levensecht. |
| Een lied neemt me mee naar mijn eigen verleden. |
| De tijd alleen, door een tijd lang waardoor de zon niet meer scheen. |
| Langzaam, kwam daar de dag. |
| Een mens opent je hart, wist niet meer dat het kon. |
| Dan blijkt dat er een lied over jou bestond. |
| Nu weet je wat ze met die wijze raad bedoelde, nu jij het aan den lijve |
| ondervindt. |
| Al die dingen komen binnen, de gezegden uitgelegt. |
| Klinken liedjes je herkenbaar in de oren, luister je nu anders dan voorheen. |
| Alle woorden komen door en alles wordt even levensecht. |
| Je laat je niet vangen, je wist het voor de tijd. |
| Nu wacht je wat langer, toch ging je over mij. |
| Nu weet je wat ze met die wijze raad bedoelde, nu jij het aan den lijve |
| ondervindt. |
| Al die dingen komen binnen, de gezegden uitgeled. |
| Klinken liedjes je herkenbaar in de oren, luister je nu anders dan voorheen. |
| Alle woorden komen door en alles wordt even levensecht. |